
Op de productielijn wordt het UV-systeem niet beoordeeld op een schone start. De evaluatie vindt pas plaats na 3.000 uur gebruik, en later nogmaals na 5.000 uur. Pas dan, wanneer de lamp versleten is en de reflector meerdere honderden hittecycli heeft doorstaan, kan worden bepaald of het UV-licht nog voldoende is voor een goede behandeling van het materiaal. Hierbij speelt ook de ‘UV-outputmaintainancefactor’ een rol: deze bepaalt of de behandeling consequent goed verloopt, of dat de operator probeert de hechting en schurftbestendigheid te verbeteren door de vermogenssterkte van de lamp te verhogen, in plaats van het echte probleem op te lossen.
Wat technisch gezien belangrijk is: De UV-outputmaintainancefactor is simpelweg het deel van het bruikbare UV-licht dat er nog overblijft na verloop van tijd, vergeleken met de waarde toen de lamp nog nieuw was. In de praktijk is het belangrijk dat er een stabiele spectrale uitstoot is op het punt waar de fotoinitiator het licht opneemt – meestal rond 365 nm bij koperwaterstofsystemen. Er zijn ook extra uitstootpunten rond 385 nm en 405 nm, afhankelijk van de chemische samenstelling. Belangrijke parameters zijn de piekintensiteit van het UV-licht (mW/cm²), de energiedichtheid per behandeling (mJ/cm²) en de afname van de output van de lamp.
Koperwaterstoflampen leveren hoge piekintensiteiten op, maar de output neemt af naarmate de elektroden slijten en de lampdonkerder wordt. Een goed ontworpen lamp en reflector zorgen ervoor dat deze afname onder controle blijft, zodat de meting met een radiometer betrouwbaar blijft.
Waarom dit belangrijk is in de praktijk: Bij industriële UV-behandeling – of het nu gaat om offset-, flexo- of schermdruk – komt het uiteindelijk altijd neer op dezelfde vraag: dosis versus snelheid. Als de output van de lamp met 15% daalt, moet je ofwel de productiesnelheid verminderen of accepteren dat de behandeling onvoldoende is. Door de UV-outputmaintainancefactor stabiel te houden, blijft de energiedichtheid constant. Hierdoor kan de productiesnelheid behouden blijven, zonder dat de behandeling elke keer opnieuw gecontroleerd moet worden wanneer er een nieuwe lamp wordt gebruikt. Dit leidt tot minder afwijkingen, minder problemen door oplosmiddelen of inkt met lage migratiemogelijkheden, en minder onverwachte stilstanden. De energieverbruik blijft ook binnen de grenzen, omdat de efficiëntie van de reflector en de dichroïsche coating behouden blijven, in plaats van dat de lamp overbelast wordt.
Wat je moet weten: Pas de spectrale uitstoot aan op de fotoinitiator in de inkt. 365 nm is niet universeel. Weet ook wat de benodigde energiedichtheid is voor jouw specifieke formule, en meet deze op het materiaal zelf – niet op het venster van de lamp. De output neemt sneller af wanneer de lamp te heet werkt, wanneer de luchtcirculatie slecht is, of wanneer de reflector vervuild is. Deze problemen bespoedigen het verslechteren van de lamp. Behandel de lamp en de reflector als één geheel wanneer ze vervangen moeten worden. Meet de intensiteit van het UV-licht met een gekalibreerde radiometer. Maak van de UV-outputmaintainancefactor een meetbaar proces, in plaats van een gok.